Eiseres, een Indonesische staatsburger, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar referent in Nederland te bezoeken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af met het besluit van 1 september 2022 en handhaafde deze afwijzing bij bezwaar op 13 maart 2023. De afwijzing was gebaseerd op onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en redelijke twijfel over het voornemen om het Schengengebied tijdig te verlaten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat de huwelijksakte en andere bewijsstukken van de relatie tussen eiseres en referent ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten. Tevens was de tegenwerping over onvoldoende financiële middelen niet adequaat gemotiveerd. De rechtbank nam de huwelijksakte en andere bewijsstukken mee in haar beoordeling en concludeerde dat verweerder onvoldoende had aangetoond dat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet waren aangetoond.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het vestigingsgevaar onvoldoende was gemotiveerd. Hoewel eiseres weinig sociale en economische binding met Indonesië had, was haar intentie om tijdelijk in Nederland te verblijven aannemelijk gemaakt. Verweerder had onvoldoende rekening gehouden met het betrouwbare profiel van referent en de verklaring van eiseres over het opzeggen van haar baan.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.