ECLI:NL:RBDHA:2024:23061
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tijdelijke bescherming Oekraïense verzoekster tegen minister
Verzoekster, van Oekraïense nationaliteit, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 10 april 2024 waarin werd bepaald dat zij niet onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt en daarom geen verblijfssticker krijgt. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 juli 2024.
De minister stelde dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft omdat haar asielprocedure nog loopt en zij rechtmatig verblijf heeft. Verzoekster stelde dat zij als begunstigde van tijdelijke bescherming recht heeft op gemeentelijke opvang en directe werktoegang zonder tewerkstellingsvergunning. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen directe dreiging tot uitzetting is en dat het belang niet spoedeisend is, zodat een onmiddellijke schorsing van het besluit niet gerechtvaardigd is.
Wel achtte de voorzieningenrechter het bezwaar van verzoekster kansrijk, gelet op overgelegde stukken die de intentie tot duurzame vestiging in Oekraïne aantonen. Daarom werd de minister opgedragen binnen twee weken na de hoorzitting van 8 augustus 2024 een beslissing te nemen. Indien de minister niet binnen die termijn beslist, worden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geschorst en wordt verzoekster als begunstigde van tijdelijke bescherming behandeld met verstrekking van een verblijfssticker voor maximaal vier weken na de beslissing op bezwaar.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster ad € 1.750,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Minister wordt opgedragen binnen twee weken te beslissen op bezwaar; bij uitblijven wordt besluit geschorst en verzoekster als begunstigde van tijdelijke bescherming behandeld met verblijfssticker.