ECLI:NL:RBDHA:2024:23034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste
Eiser, geboren in 1985 en van Marokkaanse nationaliteit, heeft in 2020 een verblijfsrecht verkregen als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind. In februari 2023 diende hij een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 2 februari 2023 afgewezen en het bezwaar op 1 juni 2023 eveneens.
De afwijzing was gebaseerd op het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste en het middelenvereiste. In beroep overlegt eiser bewijs van het behalen van het inburgeringsexamen op 11 september 2023 en een inkomensverklaring over 2022 waaruit blijkt dat hij aan het middelenvereiste voldoet.
De rechtbank oordeelt echter dat het behalen van het inburgeringsexamen na het bestreden besluit heeft plaatsgevonden en daarom niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling (ex tunc-toets). Omdat het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste een zelfstandige afwijzingsgrond is, wordt niet ingegaan op het middelenvereiste.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Moussaoui en griffier N.R. Peters op 16 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard omdat eiser ten tijde van het besluit niet voldeed aan het inburgeringsvereiste.