ECLI:NL:RBDHA:2024:22972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en vestigingsrisico
Eisers, beiden Pakistaanse nationaliteit en op leeftijd, vroegen om een visum voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.
Eisers voerden aan dat het onredelijk is om van hen economische activiteit te verlangen gezien hun leeftijd en dat hierdoor artikel 8 EVRM Pro is geschonden. Ook werd gesteld dat de hoorplicht is geschonden en dat de bezwaarprocedure onjuist is verlopen.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat eisers onvoldoende bewijs leverden van hun binding met Pakistan. De rechtbank vond geen schending van artikel 8 EVRM Pro omdat het bezoek aan familie niet onmogelijk wordt gemaakt. Ook was de hoorplicht niet geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.