Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen op 13 juni 2023 een visum kort verblijf aan om een familielid te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseressen het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende hadden aangetoond en er redelijke twijfel bestond over hun voornemen om tijdig terug te keren.
De rechtbank bevestigde dat de overgelegde geboorteaktes onvoldoende waren om de familieband met de referent aan te tonen. Daarnaast was er onvoldoende bewijs van een substantiële economische en sociale binding met Marokko, waardoor een vestigingsrisico bestond. Eiseressen konden niet aantonen dat zij een eigen inkomen hadden of daadwerkelijk zorg droegen voor hun moeder.
De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn ruime beoordelingsmarge heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Eiseressen krijgen geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.