ECLI:NL:RBDHA:2024:22935
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op tijdelijke bescherming na vrijwillige terugkeer van derdelander
Eiser, een Israëlische derdelander met een Oekraïense verblijfsvergunning, maakte aanspraak op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Verweerder stelde dat eiser geen recht meer had op tijdelijke bescherming omdat hij vrijwillig naar Israël was teruggekeerd en een verklaring van vrijwillig vertrek had getekend.
Eiser voerde aan dat hij niet definitief afstand had gedaan van zijn recht op tijdelijke bescherming en dat verweerder ten onrechte had geoordeeld dat hij geen gezin meer vormde met zijn Oekraïense partner en kind. De rechtbank oordeelde dat de verklaring niet impliceert dat eiser definitief afstand deed van tijdelijke bescherming en dat de terugkeer naar het oorspronkelijke land van herkomst van een derdelander niet automatisch leidt tot beëindiging van de bescherming.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het besluit dat eiser geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.