ECLI:NL:RBDHA:2024:22650
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beklag tegen overdracht telefoon aan Turkse autoriteiten wegens vermeende schending EVRM
Klager, gedetineerd in Nederland, diende een beklag in tegen de overdracht van zijn in beslag genomen telefoon aan Turkse autoriteiten op grond van een rechtshulpverzoek. Hij vreesde dat de overdracht zou leiden tot schending van zijn rechten uit artikel 3 en Pro 6 EVRM, vanwege vermeende politieke inmenging en het ontbreken van onafhankelijke rechtspraak in Turkije.
De rechtbank behandelde het beklag in raadkamer en hoorde zowel klager als de officier van justitie. De officier stelde dat het rechtshulpverzoek aan de formele eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De rechtbank oordeelde bevoegd en ontvankelijk.
In haar inhoudelijke beoordeling overwoog de rechtbank dat een rechtshulpverzoek slechts geweigerd kan worden bij belemmeringen van wezenlijke aard, zoals flagrante schendingen van fundamentele rechten. De rechtbank vond de aangevoerde risico's onvoldoende concreet onderbouwd en concludeerde dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een oneerlijk proces of foltering zal ondergaan.
De rechtbank verwees naar eerdere beslissingen waarin aanvullende garanties werden gevraagd bij uitlevering. De overschrijding van de wettelijke termijn voor beslissing op het beklag werd als niet relevant beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en besloot tot voortzetting van het beslag en overdracht van de telefoon.
Uitkomst: Het beklag tegen de overdracht van de telefoon aan Turkse autoriteiten is ongegrond verklaard.