ECLI:NL:RBDHA:2024:22635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
NL24.39065
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestellen asielaanvraag na Dublin-overdracht

Eiser diende op 18 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht op 11 januari 2023 Duitsland om overname van de asielprocedure op grond van de Dublinverordening, welke op 16 januari 2023 werd geaccepteerd. Nederland moest eiser uiterlijk zes maanden na deze datum overdragen, maar deed dit niet tijdig, waardoor Nederland vanaf 17 juli 2023 verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag.

Volgens artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 had de minister uiterlijk op 17 januari 2024 moeten beslissen. Echter, een besluit van 27 september 2022 verlengde de beslistermijn met negen maanden voor lopende aanvragen, waardoor de termijn op het moment van ingebrekestelling op 19 juni 2024 nog niet was verstreken.

Omdat eiser de minister prematuur in gebreke stelde, is niet voldaan aan de voorwaarden om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman op 20 december 2024 en is openbaar bekendgemaakt. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39065
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt op de aanvraag van het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
4. In artikel 42, zesde lid, van de Vw is bepaald dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 van Pro de Vw niet in
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit volgt uit artikel 6:2 en Pro 6:12 van de Awb.
behandeling dient te worden genomen, de termijn bedoeld in het eerste lid van artikel 42 van Pro de Vw aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
5. Eiser heeft op 18 november 2022 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 11 januari 2023 heeft verweerder Duitsland verzocht eiser op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening terug te nemen. Duitsland heeft dit verzoek op 16 januari 2023 geaccepteerd. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient Nederland eiser uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek door Duitsland, over te dragen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet tijdig is overgedragen en dat verweerder op 17 juli 2023 (zes maanden na 16 januari 2023) verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Dat betekent dat verweerder met toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vw, uiterlijk op 17 januari 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.
7. Sinds 27 september 2022 is het besluit met kenmerk WBV 2022/22 van kracht.3 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die op 27 september 2022 nog niet waren verstreken met negen maanden zijn verlengd. Dit geldt ook voor asielaanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2023. De asielaanvraag van eiser valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. De beslistermijn in zijn zaak is dus met negen maanden verlengd
.Tevens was de beslistermijn van 21 maanden4 op het moment van in gebreke stellen, op 19 juni 2024, niet overschreden. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was daarom nog niet verstreken toen eiser de ingebrekestelling indiende bij verweerder. De ingebrekestelling is daarmee prematuur. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
3 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.
4 Zoals neergelegd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 december 2024

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.