Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Gebrek in het voortraject
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 17 januari 2024 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat zijn strafrechtelijke detentie op 16 januari 2024 had moeten eindigen, omdat hij vóór aanvang van de detentie op 10 januari 2024 een dag in voorarrest had gezeten, waardoor de vreemdelingenbewaring te vroeg zou zijn begonnen.
De rechtbank oordeelde dat uit de registratiekaart van het Detentiecentrum Rotterdam bleek dat de strafrechtelijke detentie daadwerkelijk op 17 januari 2024 eindigde, hetgeen overeenkomt met de aanvangsdatum van de vreemdelingenbewaring. De stelling van eiser dat de detentie eerder had moeten eindigen, kon niet worden getoetst door de bewaringsrechter en faalde.
Verweerder had de maatregel van bewaring gemotiveerd met concrete gronden, waaronder een concreet aanknopingspunt voor overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden niet. De rechtbank vond de motivering voldoende en oordeelde dat de maatregel niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.