ECLI:NL:RBDHA:2024:2262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2024
Publicatiedatum
23 februari 2024
Zaaknummer
NL24.1982
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 17 januari 2024 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat zijn strafrechtelijke detentie op 16 januari 2024 had moeten eindigen, omdat hij vóór aanvang van de detentie op 10 januari 2024 een dag in voorarrest had gezeten, waardoor de vreemdelingenbewaring te vroeg zou zijn begonnen.

De rechtbank oordeelde dat uit de registratiekaart van het Detentiecentrum Rotterdam bleek dat de strafrechtelijke detentie daadwerkelijk op 17 januari 2024 eindigde, hetgeen overeenkomt met de aanvangsdatum van de vreemdelingenbewaring. De stelling van eiser dat de detentie eerder had moeten eindigen, kon niet worden getoetst door de bewaringsrechter en faalde.

Verweerder had de maatregel van bewaring gemotiveerd met concrete gronden, waaronder een concreet aanknopingspunt voor overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden niet. De rechtbank vond de motivering voldoende en oordeelde dat de maatregel niet onrechtmatig was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.1982
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Wortel), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser was op het tijdstip van de zitting al op transport gesteld om te worden uitgezet. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988.

Gebrek in het voortraject

2. Eiser stelt dat zijn strafrechtelijke detentie op 16 januari 2024 had moeten eindigen in plaats van 17 januari 2024. Dit omdat eiser stelt vóór aanvang van de detentie op 10 januari 2024 een dag in voorarrest te zijn geweest. Eiser had daarom niet zeven dagen, maar slechts zes dagen in strafrechtelijke detentie mogen worden gehouden. De detentie van eiser is feitelijk op 17 januari 2024 beëindigd, op welke dag de maatregel van bewaring in de zin van de Vw heeft aangevangen. De vreemdelingenbewaring had moeten beginnen op 16 januari 2024.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de registratiekaart van het Detentiecentrum Rotterdam blijkt dat de strafrechtelijke detentie is geëindigd op 17 januari 2024. Dit komt overeen met de aanvangsdatum van de vreemdelingenbewaring. Voor zover eiser stelt dat de
strafrechtelijke detentie eerder had moeten eindigen, ligt dit niet ter toetsing voor aan de bewaringsrechter. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Conclusie
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 februari 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.