De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de stiefmoeder tot adoptie van de minderjarige, geboren in 2011. De vader heeft ingestemd met de adoptie, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming schriftelijk adviseerde het verzoek af te wijzen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter het belang van het kind centraal gesteld en het kind zelf gehoord.
Na het overlijden van de biologische moeder in 2018 is de vader een relatie aangegaan met de stiefmoeder, met wie hij sinds 2020 samenwoont. Het kind groeit op in een liefdevolle omgeving met de stiefmoeder en vader, waarbij ook ruimte is voor de familie van de overleden moeder. De minderjarige heeft expliciet aangegeven de adoptie te willen.
De rechtbank concludeert dat aan alle wettelijke voorwaarden van de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan en dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is. Daarom wordt het verzoek tot stiefouderadoptie toegewezen. De rechtbank heeft het kind na de zitting een brief gestuurd waarin de beslissing op begrijpelijke wijze is toegelicht.