ECLI:NL:RBDHA:2024:22257
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel over tijdige terugkeer
Eiser heeft samen met zijn kinderen een visum voor kort verblijf aangevraagd met als doel familiebezoek in Nederland. De minister heeft de aanvraag afgewezen vanwege redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij voldoende sociale en economische binding met Iran heeft, onder meer door zorg voor zijn vader, een langdurige relatie, werk als manager en vastgoedbezit.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de economische binding onvoldoende is aangetoond, omdat essentiële documenten zoals salarisstroken ontbreken. De sociale binding is wel aannemelijk, maar in samenhang met de economische binding onvoldoende om het voornemen tot tijdige terugkeer te onderbouwen. De minister mocht afzien van het horen in bezwaar omdat de overgelegde stukken onvoldoende waren en het horen niet bedoeld is om nieuwe stukken te overleggen.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat het bezwaar alsnog is behandeld. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens twijfel over tijdige terugkeer.