Uitspraak
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse Unieburger zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland, werd door verweerder vastgesteld als geen rechtmatig verblijfhebbende op grond van het Unierecht vanwege het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. Verweerder legde een verwijderingsmaatregel op waarbij eiser Nederland binnen een maand moest verlaten.
Eiser voerde in beroep aan dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke belangen, waaronder zijn eerdere arbeidsverleden en zijn morele verplichtingen naar zijn gezin, en dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 30 van Pro de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij ook de strafrechtelijke antecedenten en het contactverbod ten aanzien van zijn gezin waren meegewogen.
Voorts stelde de rechtbank vast dat eiser voldoende was geïnformeerd over de wijze waarop hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kon beëindigen, conform het arrest FS en de openbare werkinstructie WI 2023/3. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, waarmee het bestreden besluit in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van geen rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard en de verwijderingsmaatregel blijft in stand.