ECLI:NL:RBDHA:2024:2199
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublinprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen. Dit omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van de Dublinverordening.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 6 februari 2024 behandeld.
Bij uitspraak van dezelfde dag in de hoofdzaak is het beroep behandeld, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk werd geacht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier S.J. Valk, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2024. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is behandeld en de voorziening niet langer nodig is.