ECLI:NL:RBDHA:2024:2198
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.
Eiser stelde psychische problemen te hebben en vroeg om aanhouding van de behandeling van het beroep om zijn situatie nader te onderbouwen met medische stukken. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende medische informatie was overgelegd en dat de intake bij de psycholoog nog geen acute zorgbehoefte aannemelijk maakte. Het verzoek tot aanhouding werd daarom afgewezen.
De rechtbank overwoog dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat Duitsland adequate medische zorg kan bieden. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling of dat de aanwezigheid van familieleden in Nederland bijzondere omstandigheden oplevert.
Verder werd geoordeeld dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing is omdat de familieleden van eiser niet onder de in dat artikel genoemde familieleden vallen. Artikel 17 werd Pro evenmin toegepast omdat geen bijzondere individuele omstandigheden waren aangetoond die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter P.J.M. Mol en griffier S.J. Valk op 9 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.