De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader. De kinderen verblijven feitelijk bij de vader en zijn onder toezicht gesteld tot 28 juni 2025. De eerdere machtiging tot uithuisplaatsing liep tot 28 december 2024.
Tijdens de zitting, die plaatsvond met gesloten deuren, waren vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig, terwijl de ouders aanvankelijk niet verschenen. Na afloop kwam de vader alsnog opdagen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader en moeder belast zijn met het ouderlijk gezag.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderen doen het goed bij de vader, er is geen schoolverzuim en de vader sluit goed aan bij de behoeften van de kinderen. Het contact met de moeder is beperkt en problematisch vanwege haar persoonlijke problematiek en beperkte belastbaarheid. Hulpverlening is ingezet voor contactherstel en communicatieverbetering tussen ouders.
De machtiging wordt verlengd tot 20 juni 2025, zodat deze gelijkloopt met die van de halfzus van de kinderen. Het verzoek voor verdere verlenging wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.