ECLI:NL:RBDHA:2024:21920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
C/09/674635 / JE RK 24-1926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen bij vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader. De kinderen verblijven feitelijk bij de vader en zijn onder toezicht gesteld tot 28 juni 2025. De eerdere machtiging tot uithuisplaatsing liep tot 28 december 2024.

Tijdens de zitting, die plaatsvond met gesloten deuren, waren vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig, terwijl de ouders aanvankelijk niet verschenen. Na afloop kwam de vader alsnog opdagen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader en moeder belast zijn met het ouderlijk gezag.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderen doen het goed bij de vader, er is geen schoolverzuim en de vader sluit goed aan bij de behoeften van de kinderen. Het contact met de moeder is beperkt en problematisch vanwege haar persoonlijke problematiek en beperkte belastbaarheid. Hulpverlening is ingezet voor contactherstel en communicatieverbetering tussen ouders.

De machtiging wordt verlengd tot 20 juni 2025, zodat deze gelijkloopt met die van de halfzus van de kinderen. Het verzoek voor verdere verlenging wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen bij de vader wordt verlengd tot 20 juni 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/674635 / JE RK 24-1926
Datum uitspraak: 17 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
Na afloop van de zitting is de vader alsnog verschenen. De kinderrechter heeft de beslissing aan de vader medegedeeld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven feitelijk bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2024 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 28 juni 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2024 een machtiging verleend [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 28 december 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen tot 20 juni 2025, zodat deze gelijk loopt met [naam 3] , de halfzus van de kinderen.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
4.2.
De kinderrechter overweegt daartoe dat de kinderen inmiddels een aantal maanden bij de vader wonen en het daar goed doen. Er is geen sprake meer van schoolverzuim en de vader kan goed aansluiten bij de behoeften van de kinderen. Er is momenteel weinig tot geen contact tussen de moeder en de kinderen. De moeder heeft [de minderjarige 2] een aantal keer onaangekondigd opgezocht op het schoolplein. Dit is verwarrend voor [de minderjarige 2] en zorgt ervoor dat zij op dat moment niet meer aan leren toe komt. De school merkt bij [de minderjarige 1] meer spanning als hij de moeder (onverwacht) heeft gezien. Vanuit school zal hulpverlening worden ingezet om de kinderen hierin te ondersteunen. Daarnaast is Sensa Zorg betrokken om de moeder en de kinderen te begeleiden bij het contact(herstel). Deze hulpverlening zal zich ook richten op het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen de vader en de moeder. Vanwege haar persoonlijke problematiek en beperkte belastbaarheid is de moeder op dit moment niet in staat om de zorg van de kinderen op zich te nemen. Voor een mogelijke terugplaatsing bij de moeder is het van belang dat er voor de lange termijn sprake is van stabiliteit bij de moeder en dat er eerst wordt gewerkt aan contactherstel met de kinderen. Het is van belang dat er de komende periode een concreet plan wordt gemaakt voor een mogelijke terugplaatsing bij de moeder, waarbij rekening wordt gehouden bij de belastbaarheid en mogelijkheden van betrokkenen. Gelet op het voorgaande is een verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk.
4.3.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader verlengen tot 20 juni 2025, zodat deze gelijk loopt met die van hun halfzus [naam 3] , en het verzoek voor het overige afwijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader tot 20 juni 2025;
5.2.
wijst het verzoek voor het overige af;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.B.M.A. Roozen als griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.