De zaak betreft het geschil over het ontslag op staande voet van [de vrouw] door haar werkgever Operator Groep Delft B.V. (OGD) op 2 mei 2024. OGD stelde dat [de vrouw] zonder toestemming een tweede arbeidsovereenkomst was aangegaan en deze werkzaamheden verrichtte terwijl zij arbeidsongeschikt was, waardoor haar herstel werd belemmerd. [de vrouw] betwistte de dringende reden en de onverwijldheid van het ontslag.
De kantonrechter oordeelde dat OGD niet op de hoogte was van de nevenwerkzaamheden en dat [de vrouw] wel verplicht was deze te melden op grond van het nevenwerkzaamhedenbeding en de Arbeidstijdenwet. Verder werd vastgesteld dat [de vrouw] de bedrijfsarts niet had geïnformeerd over haar nevenactiviteiten, wat haar re-integratieplicht schond. Dit leidde tot een dringende reden voor ontslag op staande voet.
Ook de stelling van [de vrouw] dat het ontslag niet onverwijld was gegeven werd verworpen. Subsidiair werd het verzoek tot transitievergoeding afgewezen omdat het ontslag het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van [de vrouw]. Daarnaast werd zij veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €8.100 aan OGD en tot betaling van proceskosten. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.