ECLI:NL:RBDHA:2024:21673
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verlenging overdrachtstermijn in Dublinprocedure vanwege onderduiken
Eiser heeft op 31 januari 2024 in Nederland een asielaanvraag gedaan, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat werd aangemerkt volgens de Dublinverordening. Nederland was voornemens eiser op 5 november 2024 over te dragen aan Frankrijk, maar deze overdracht werd niet uitgevoerd omdat eiser op die datum ondergedoken was.
Verweerder verlengde daarop de overdrachtstermijn tot achttien maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser betwistte dat hij ondergedoken was en stelde dat de uiterste overdrachtsdatum al was verstreken omdat Nederland op 4 maart 2024 een overnameverzoek aan Frankrijk had gestuurd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiser op 5 november 2024 ondergedoken was, onder meer via registraties van het COA en interne notities. Daarnaast werd vastgesteld dat de uiterste overdrachtsdatum op 5 november 2024 nog niet was verstreken, omdat Frankrijk niet tijdig had gereageerd op het overnameverzoek en dit daardoor impliciet was aanvaard op 5 mei 2024.
Daarmee was de verlenging van de overdrachtstermijn rechtmatig en het beroep van eiser ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is ongegrond verklaard.