De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar vader. De minderjarige verbleef aanvankelijk bij de moeder, maar was tijdelijk in een time-out bij de vader. De moeder en vader hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.
De kinderrechter constateerde zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, waaronder meldingen van fysiek geweld en schoolzorgen. Hoewel de moeder instemde met de time-out, verzette zij zich tegen verblijf bij de vader. De moeder handelde niet in het belang van de minderjarige door haar uit school te halen tegen afspraken in.
De rechter oordeelde dat het dringend noodzakelijk was om de minderjarige uit huis te plaatsen voor haar verzorging en opvoeding, maar dat het niet in haar belang was om bij de moeder te verblijven. Wel was er onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de vader en een schadelijke verstandhouding van vader naar moeder, wat een ernstig loyaliteitsconflict bij de minderjarige veroorzaakte.
Daarom werd het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader afgewezen, maar werd een tijdelijke machtiging verleend voor een korte periode tot 2 januari 2025. De zaak werd aangehouden tot de zitting op 31 december 2024 voor verdere behandeling.