ECLI:NL:RBDHA:2024:2157
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland ongegrond verklaard
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 6 februari 2024, waarbij de gemachtigde van de staatssecretaris aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde niet. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een overdracht aan Duitsland zouden verbieden.
Eiser stelde dat de opvangvoorzieningen in Duitsland slecht zijn, er discriminatie plaatsvindt, hij in detentie zal worden geplaatst en dat hij geen toegang tot de asielprocedure zal krijgen. Deze stellingen zijn niet met stukken onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld conform Europese richtlijnen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het besluit van de staatssecretaris in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter P.J.M. Mol en griffier S.J. Valk op 9 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.