ECLI:NL:RBDHA:2024:21375
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolging en bescherming in Algerije
Eiser, een Algerijn van Amazir-afkomst, verzocht op 12 juni 2024 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit op 6 november 2024 af wegens onvoldoende gronden voor bescherming. De rechtbank behandelde het beroep op 11 december 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
Eiser stelde mishandeling door zijn vader en discriminatie wegens zijn etniciteit, alsmede vervolging wegens vermeende afvalligheid, als redenen voor asiel. De minister achtte zijn identiteit geloofwaardig, maar beoordeelde de overige elementen niet als voldoende zwaarwegend of geloofwaardig voor asielverlening. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht verwees naar het voornemen, dat integraal onderdeel is van het besluit, en dat er geen motiveringsgebrek was.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer geen bescherming van de Algerijnse autoriteiten zou krijgen. Ook de vermeende discriminatie was niet van dien aard dat hij sociaal en maatschappelijk niet kon functioneren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod van twee jaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag wordt definitief afgewezen.