De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland om het gezag over de minderjarige gedeeltelijk aan haar toe te wijzen, specifiek voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De minderjarige woont bij pleegouders, terwijl de moeder het ouderlijk gezag heeft. Er bestaat een verschil van mening tussen de moeder en pleegouders over welke school passend is voor het kind.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige al tweeënhalf jaar bij de pleegouders woont en dat de opvoedvisie van de gecertificeerde instelling door de rechtbank is onderschreven. De moeder wenst een school met een diverse culturele samenstelling, terwijl de pleegouders en de gecertificeerde instelling een andere school prefereren die aansluit bij het pleeggezin en de geloofsovertuiging.
De kinderrechter heeft de belangen van het kind, de kwetsbaarheid van de minderjarige en het belang van continuïteit in haar ontwikkeling meegewogen. Omdat de moeder en pleegouders niet tot overeenstemming konden komen, is het noodzakelijk geacht dat de gecertificeerde instelling het gezag krijgt over de schoolkeuze. De moeder wordt tegemoetgekomen door het stimuleren van buitenschoolse activiteiten om de culturele diversiteit te waarborgen.
De beschikking bepaalt dat de gecertificeerde instelling het gezag uitoefent over de aanmelding bij de onderwijsinstelling tot 2 juli 2025, en deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.