ECLI:NL:RBDHA:2024:21210
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in hasjzaak
De rechtbank Den Haag behandelde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €509.204, gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek naar de veroordeelde die was veroordeeld voor medeplegen van een grote hoeveelheid hasj.
De officier van justitie stelde dat de veroordeelde een bedrag van €833.333,33 had geïnvesteerd in een partij hasj, onderbouwd met chatberichten en verklaringen. De verdediging betwistte dat de investering daadwerkelijk had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de veroordeelde het genoemde bedrag had geïnvesteerd. Hoewel de veroordeelde als initiator van het transport werd veroordeeld, was niet vastgesteld dat hij geld had betaald voor de partij hasj. De vordering tot ontneming werd daarom afgewezen.
Een verzoek tot het horen van een getuige werd eveneens afgewezen, aangezien de vordering tot ontneming niet werd toegewezen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 17 december 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van investering door de veroordeelde.