ECLI:NL:RBDHA:2024:2105
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken gronden bij Dublin-besluit
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep samen met een andere zaak op 13 februari 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
De rechtbank constateerde dat het beroepschrift van 26 januari 2024 geen gronden van beroep bevatte. De gemachtigde van eiser werd op 29 januari 2024 gewezen op dit verzuim en kreeg de mogelijkheid om dit uiterlijk 5 februari 2024 te herstellen. Dit is niet gebeurd, en er was geen verschoonbare reden of bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.
Op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Awb verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling uitgesproken door rechter A. de Gooijer in aanwezigheid van griffier R. Kloppers. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.