ECLI:NL:RBDHA:2024:2093
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning in Leidse binnenstad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €756.000 per 1 januari 2021. Hij stelde een lagere waarde van €574.000 voor. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De heffingsambtenaar gebruikte een vergelijkingsmatrix waarin rekening werd gehouden met diverse factoren zoals uitstraling, kwaliteits- en onderhoudsniveau, ligging, isolatieniveau en bouwjaar. De rechtbank vond dat deze correcties adequaat waren toegepast en dat de verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten juist waren verwerkt.
Belanghebbende had in de bezwaarprocedure geen stukken opgevraagd of om een hoorzitting gevraagd, waardoor geen schending van het recht op hoor en wederhoor was vastgesteld. Ook de door belanghebbende aangevoerde onvoldoende inzichtelijkheid van correcties en indexeringscijfers werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank concludeerde dat waarderen geen exacte wetenschap is en dat de heffingsambtenaar voldoende transparantie had geboden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Arts op 14 februari 2024. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €756.000 wordt ongegrond verklaard.