Uitspraak
[verzoeker] , verzoeker
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van een verzoeker met de Poolse nationaliteit, tegen het besluit van 3 januari 2024 waarbij zijn verblijfsrecht werd beëindigd, een terugkeerbesluit werd opgelegd en hij ongewenst werd verklaard wegens een vermeende actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Verzoeker betoogt dat hij een spoedeisend belang heeft bij schorsing van het besluit omdat hij anders Nederland moet verlaten en zijn bezwaarprocedure niet kan afwachten. Hij stelt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn gedrag een ernstige bedreiging vormt.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker verwijderbaar is en daardoor een spoedeisend belang heeft. Omdat verweerder voornemens is verzoeker te horen in de bezwaarprocedure, kan niet worden uitgesloten dat nieuwe feiten aan het licht komen die de beoordeling kunnen beïnvloeden. Het belang van verzoeker om de bezwaarprocedure in Nederland af te wachten weegt daarom zwaarder dan het belang van verweerder.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit totdat de beschikking op bezwaar is bekendgemaakt. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ad € 1.750,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst tot de beschikking op bezwaar bekend is.