Op 7 januari 2024 werd in een woning te ’s-Gravenzande een diefstal met geweld gepleegd waarbij een geldbedrag en persoonlijke eigendommen werden weggenomen. Verdachte was samen met twee medeverdachten aanwezig in de woning. De officier van justitie beschuldigde verdachte van medeplegen van deze diefstal met geweld.
Tijdens de terechtzitting op 27 november 2024 ontkende verdachte kennis te hebben gehad van de diefstal of het geweld en verklaarde hij enkel mee te zijn gegaan om te chillen. De rechtbank overwoog dat hoewel het handelen van verdachte vragen opriep, er geen sluitend bewijs was voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking die medeplegen vereist.
Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat verdachte zelf de diefstal of het geweld had gepleegd. De verklaring van de aangever richtte zich op de medeverdachten en de aanwezigheid van DNA op een kistje was onvoldoende bewijs. Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van het ten laste gelegde.
De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten van verdachte, begroot op nihil.