ECLI:NL:RBDHA:2024:20464

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
NL24.39188
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2024 waarin haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid is afgewezen. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zij Nederland moet verlaten tijdens de behandeling van het bezwaar.

De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het verzoek om een voorlopige voorziening, waardoor de voorzieningenrechter het verzoek toewijst. Dit betekent dat de uitzetting van verzoekster wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast is verzoekster vanwege betalingsonmacht vrijgesteld van griffierecht en krijgt zij een proceskostenvergoeding van € 875,- toegekend, die door de minister moet worden betaald. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: De uitzetting van verzoekster wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39188

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 in de zaak tussen

[naam], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Burema),
en

de minister van Asiel en Migratie

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2024, waarin de minister de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam]’, heeft afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster wordt vanwege betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht te betalen.
3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokkenen belangen, dat vereist. [2]
4. De minister heeft aan verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten en dient terug te keren naar Oeganda. Verzoekster heeft daarom spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
5. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar Nederland niet hoeft te verlaten. De minister heeft op 18 november 2024 aan de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen een toewijzing van een voorlopige voorziening voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat er een beslissing is genomen op het bezwaar. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat het besluit van 17 september 2024 wordt geschorst en verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
6.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoekster achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.