ECLI:NL:RBDHA:2024:20362
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening wegens niet-nakomen medewerkingsverplichting
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het college van Burgemeester en wethouders van Delft om haar schuldhulpverlening te beëindigen wegens het niet nakomen van afspraken met een betrokken bedrijf voor een belastbaarheidsonderzoek. Eiseres stelde dat zij ADHD heeft en daardoor moeite heeft met het nakomen van afspraken, en dat het bedrijf zelf afspraken heeft afgezegd of geweigerd.
De rechtbank stelde vast dat eiseres meerdere keren niet op afspraken is verschenen, ondanks waarschuwingen en hersteltermijnen. Het college heeft de beëindiging van de schuldhulpverlening gebaseerd op het niet nakomen van de medewerkingsverplichting, een discretionaire bevoegdheid die een belangenafweging vereist. Het bestreden besluit bevatte geen kenbare belangenafweging, wat in strijd is met het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe en passeerde dit gebrek omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende gelegenheid heeft geboden om mee te werken en dat eiseres haar stelling omtrent ADHD niet met medische stukken heeft onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard, het besluit tot beëindiging van schuldhulpverlening bleef in stand, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de beëindiging van schuldhulpverlening wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.