De verzoeker werd verdacht van deelname aan terroristische organisaties en het plegen van een oorlogsmisdrijf in Syrië, maar is op 26 april 2024 onherroepelijk vrijgesproken. Hij vroeg vervolgens een schadevergoeding voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, reiskosten en kosten van het verzoekschrift.
De rechtbank oordeelde dat er gronden van billijkheid zijn voor vergoeding, maar dat de omstandigheden van de verzoeker, zoals het ontbreken van familie in Nederland en onbekendheid met het rechtssysteem, geen bijzondere omstandigheden vormen die een hogere vergoeding rechtvaardigen. Ook de coronamaatregelen werden onvoldoende onderbouwd als verzwarende factor.
De rechtbank kende daarom een vergoeding toe conform de forfaitaire bedragen, inclusief reiskosten en kosten van het verzoekschrift, en wees het meerdere af. De totale toegekende vergoeding bedraagt €45.395,40. De beslissing werd op 3 december 2024 uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag.