De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2014, die sinds zijn vijfde bij zijn grootouders woont. Na het overlijden van de grootmoeder is de grootvader minder emotioneel beschikbaar en zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige. De school signaleert onder meer verminderde verbale communicatie, frequente ziekte, en sociale isolatie. Ook is sprake van een beperkt voedingspatroon met obstipatieklachten en het toepassen van lijfstraffen door de grootvader.
De moeder erkent via haar advocaat dat zij momenteel niet in staat is de zorg- en opvoedtaken op zich te nemen vanwege persoonlijke problematiek en wil zich richten op traumaverwerking. De kinderrechter stelt vast dat zowel moeder als grootvader onvoldoende in staat zijn om aan de basis- en emotionele behoeften van de minderjarige te voldoen.
De kinderrechter acht de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en wijst de machtiging toe voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 29 december 2024. De plaatsing zal plaatsvinden in het pleeggezin waar ook het jongere zusje verblijft, met het oog op het behoud van het contact tussen de kinderen en de bevordering van de ontwikkeling van de minderjarige.