Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[naam 1] [woonplaats] ,
[naam 2]te [woonplaats] ,
1.De procedure
2.De feiten
(…)Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen
(…)
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een burengeschil over een strook grond en erfafscheiding tussen een erfpachter en de buurvrouw, eigenaar van het aangrenzende perceel. De erfpachter vordert eigendom van de betwiste strook grond via verkrijgende of bevrijdende verjaring, stellende deze strook sinds 1991 in bezit te hebben. De buurvrouw voert verweer en vordert onder meer bevestiging van haar eigendom van muren en grond, en verwijdering van erfafscheidingen die over de kadastrale erfgrens zijn geplaatst.
De rechtbank oordeelt dat de erfpachter geen ondubbelzinnig bezit heeft kunnen aantonen, mede omdat hij slechts een recht van erfpacht heeft en de strook grond als onderdeel daarvan moet worden beschouwd. De vordering tot eigendom door verjaring wordt daarom afgewezen. De rechtbank bevestigt dat de eigendomsgrens aan de buitenzijde van de muren ligt en dat de buurvrouw eigenaar is van de muren en de grond daaronder.
Verder wordt de erfpachter veroordeeld tot verwijdering van palen, gaas en begroeiing die over de kadastrale erfgrens staan binnen acht weken na het vonnis. Een vordering tot verwijdering van een houten constructie wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van een overeenkomst. Proceskosten worden toegewezen aan de buurvrouw. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Vordering erfpachter tot eigendom door verjaring wordt afgewezen; eigendom muren en grond bevestigd voor buurvrouw; verwijdering erfafscheiding bevolen.