Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:19675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
C/09/663241 / FA RK 24-1975
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verdeling zorg- en opvoedingstaken wegens niet vaststaan bestaan kind

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van een minderjarige. Eerder was een voorlopige zorgregeling vastgesteld, maar partijen gaven hieraan geen uitvoering. De moeder stelde dat het kind nooit heeft bestaan omdat zij de zwangerschap in de zomer van 2023 had afgebroken. Zij overlegde een doorhaling van de geboorteakte en een medische verklaring ter onderbouwing.

De vader betwistte het niet-bestaan van het kind en stelde dat het kind geboren is in het Erasmus MC te Rotterdam. De rechtbank concludeerde op basis van de stukken en toelichting dat het bestaan van het kind niet langer kan worden aangenomen. Hierdoor kan de rechtbank geen zorgregeling vaststellen volgens artikel 1:253a BW.

Zelfs indien het kind zou bestaan, zou een zorgregeling niet haalbaar zijn vanwege onduidelijkheid over de verblijfplaats en het feit dat de vader het kind nooit heeft gezien. De rechtbank wijzigde de eerdere beschikking en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en wees het verzoek verder af.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van zorgregeling wordt afgewezen omdat het bestaan van het kind niet vaststaat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-1975
Zaaknummer: C/09/663241
Datum beschikking: 27 november 2024

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 15 maart 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Erdal te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. I. Correljé te Hoek van Holland, nu mr. B. Özates te Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2024 is in de procedure ex artikel 223 Rv Pro (met nummer FA RK 24-1977 / C/09/663244) een voorlopige zorgregeling, begeleid door de moeder, vastgelegd tussen de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] , en de vader.
Daarbij is iedere verdere beslissing in de bodemzaak (met nummer FA RK 24-1975 / C/09/663241) ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten tot 15 juli 2024 pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9-formulier van 12 juli 2024 van de advocaat van de vader, met bijlagen;
- het bericht van 14 juli 2024 van de advocaat van de moeder;
- het F9-formulier van 15 juli 2024 van de advocaat van de vader;
- het e-mailbericht van 1 augustus 2024 van de advocaat van de moeder;
- het F9-formulier van 1 augustus 2024 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 25 oktober 2024 van de advocaat van de vader, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 29 oktober 2024 van de advocaat van de moeder, met bijlagen.
Op 30 oktober 2024 is de behandeling op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in het geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of van een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij verstekvonnis in kort geding van 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover hier van belang, de moeder veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 15 mei 2024 en bepaald dat [minderjarige] voorlopig omgang met de vader heeft:
- op zaterdag 20 juli 2024 van 11.00 uur tot 12.30 uur in [plaats] , onder begeleiding van de moeder;
- vanaf zaterdag 20 juli 2024 elke donderdag van 12.00 uur tot 13.30 uur en elke zaterdag van 11.00 uur tot 12.30 uur, op een in onderling overleg te bepalen locatie, onder begeleiding van de moeder;
- vanaf zaterdag 17 augustus 2024 elke donderdag vanaf 12.00 uur tot 13.30 uur en elke zaterdag van 11.00 uur tot 12.30 uur, op een in onderling overleg te bepalen locatie, voor zover nodig onder begeleiding van de moeder.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat aan de beschikking van 15 mei 2024 en het vonnis in kort geding van 11 juli 2024 door partijen geen uitvoering is gegeven.
Volgens de moeder is er geen uitvoering aan gegeven, omdat [minderjarige] nooit bestaan heeft. Haar zwangerschap is afgebroken in de zomer van 2023. Ter onderbouwing daarvan heeft de moeder een uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Westland overgelegd waaruit volgt dat de geboorte van [minderjarige] is doorgehaald. Ter zitting is door de moeder een medische verklaring van 10 juli 2023 getoond over de afgebroken zwangerschap.
De vader heeft betwist dat [minderjarige] niet bestaat. Hij is ervan overtuigd dat er een kind van de moeder en hem is geboren in het Erasmus MC in Rotterdam.
Op basis van de thans overgelegde stukken, met name de doorhaling van de geboorteakte van [minderjarige] , en de toelichting op zitting van de gang van zaken rondom de zwangerschap, de aangifte van de geboorte van een kind, en de doorhaling ervan kan de rechtbank niet langer uitgaan van het bestaan van [minderjarige] . Indien het bestaan van een kind niet vaststaat kan de rechtbank geen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen in het kader van artikel 1:253a BW. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling afwijzen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Ook indien het bestaan van [minderjarige] zou vaststaan, zou het feitelijk niet mogelijk zijn om een haalbare verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, nu in dat geval er geen duidelijkheid bestaat over de situatie van het kind, zoals de verblijfplaats van dit kind. Bovendien heeft de vader het kind nog nooit gezien.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2024 –:
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 november 2024.