ECLI:NL:RBDHA:2024:19061
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 6 september 2024. Het geschil richtte zich op de voortvarendheid van de minister bij de afhandeling van een laissez-passer aanvraag van bijna een jaar oud.
Eiser stelde dat de minister niet voldoende voortvarend handelde en dat alleen schriftelijke rappels niet toereikend waren, zeker nu er zicht was op uitzetting naar Algerije. De minister erkende dat een rappel op dossierniveau niet in het M120-systeem was opgenomen, maar stelde dat dit een kleine onzorgvuldigheid betrof die ter zitting was hersteld. Tevens wees de minister op het gebrek aan medewerking van eiser, die weigert gesprekken aan te gaan en zijn identiteit vast te stellen.
De rechtbank constateerde dat de minister wel degelijk op dossierniveau had gerappelleerd en dat het motiveringsgebrek in de M120-papieren met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd omdat eiser hierdoor niet benadeeld was. Gezien de omstandigheden en het gebrek aan medewerking van eiser zag de rechtbank geen reden om het beroep gegrond te verklaren. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.