ECLI:NL:RBDHA:2024:1891
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-zaak over asielverblijfsvergunning
Verzoekster, een Syrische asielzoeker, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van de Dublin-verordening. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 12 februari 2024 te Groningen, waarbij verzoekster werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Op dezelfde dag deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.40369), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. D.M. Schuiling en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is behandeld.