ECLI:NL:RBDHA:2024:18796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende verwijderingsvooruitzicht
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 3 juni 2024 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en baseert zich op eerdere toetsing en voortgangsrapportages.
Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat de Marokkaanse autoriteiten traag reageren op de aanvraag van een laissez-passer en de minister onvoldoende voortvarend handelt, onder meer door het niet controleren van een Dublinclaim in Duitsland. Tevens stelt eiser dat de bewaring zijn gemoedstoestand negatief beïnvloedt.
De rechtbank oordeelt dat de minister regelmatig rappelleert bij de Marokkaanse autoriteiten en dat er geen aanwijzingen zijn dat een laissez-passer wordt geweigerd. Eiser werkt onvoldoende mee aan het onderzoek naar zijn identiteit. De eerdere uitspraak van 28 juni 2024 bevestigt dat Nederland verantwoordelijk is voor de Dublinclaim. De belangenafweging leidt niet tot opheffing van de bewaring, mede omdat eiser onvoldoende onderbouwing geeft voor een lichter middel.
De rechtbank concludeert dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.