De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een pasgeboren baby vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en het welzijn van het kind. Deze zorgen zijn gebaseerd op meldingen bij Veilig Thuis over een onveilige opvoedsituatie, agressie van de vader richting de moeder en signalen van onvoldoende voeding. De moeder kampt met een persisterende waanstoornis en houdt zich niet aan veiligheidsvoorwaarden.
De kinderrechter houdt een mondelinge behandeling met gesloten deuren waarbij de Raad, de gecertificeerde instelling, de ouders en hun vertegenwoordigers aanwezig zijn. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en bevestigt dat bezoekmomenten met het kind worden gepland. De ouders verzetten zich niet tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de uithuisplaatsing, waarbij zij aangeven bereid te zijn tot medewerking aan hulpverlening.
De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor ondertoezichtstelling is vervuld en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor het kind weg te nemen. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De termijn wordt vastgesteld op drie maanden, met het oog op onderzoek naar de opvoedvaardigheden en het streven naar veilige terugplaatsing.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ouders worden gestimuleerd om intensief contact met het kind te onderhouden, mede om de hechting te bevorderen. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.