ECLI:NL:RBDHA:2024:18318
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielprocedure wegens prematuur ingediende ingebrekestelling
De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 3 oktober 2024, waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen op een asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard. De reden was dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend, waardoor het beroep niet ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant stelde dat er sprake was van divergentie in de jurisprudentie over de geldigheid van de verlenging van de beslistermijn met de WBV 2023/3. Hij verwees naar andere zittingsplaatsen die anders oordeelden en naar een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ook werd gewezen op een vergelijkbare zaak waarin verzet gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde echter dat deze divergentie geen aanleiding gaf om te twijfelen aan de eerdere uitspraak. Er waren geen nieuwe argumenten aangevoerd die bij een normale behandeling tot twijfel over de uitkomst hadden kunnen leiden. De rechtbank handhaafde haar eerdere lijn en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.