AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlening ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling
De rechtbank Den Haag behandelde op 3 oktober 2024 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De moeder kampt met verslavings- en persoonlijke problematiek waardoor zij onvoldoende in staat is de zorg- en opvoedtaken op zich te nemen. De minderjarige verblijft feitelijk bij de tante moederszijde sinds juni 2024.
De Raad verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor zes maanden. De moeder stemde in met de verzoeken en erkende de noodzaak van behandeling en hulpverlening. De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke criteria van artikel 1:255 BWPro zijn vervuld en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige.
De kinderrechter benadrukte dat voorspelbaarheid, veiligheid en stabiliteit essentieel zijn voor de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, die momenteel niet door de moeder geboden kunnen worden. De moeder heeft een eerste gesprek gehad bij een moeder-kindhuis en wil zich inzetten voor hulpverlening. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden wegens bedreigde ontwikkeling van de minderjarige.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/672208 / JE RK 24-1629
Datum uitspraak: 3 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlening ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L. da Silva te Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat.
2.De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft feitelijk bij tante moederszijde.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2024 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 8 oktober 2024.
3.Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlenen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met verslavingsproblematiek (o.a. GHB, ketamine en cocaïne) en persoonlijke problematiek waardoor zij onvoldoende in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen. De moeder geeft aan voor [de minderjarige] te willen zorgen, maar kan onvoldoende profiteren van de aangeboden hulpverlening. De moeder heeft meerdere keren de hulpverlening vanuit De Brijder vroegtijdig moeten stoppen. De moeder kan niet goed aansluiten bij [de minderjarige] waardoor problemen kunnen ontstaan in de hechtingsrelatie. Er dient zicht te komen op de vaardigheden van moeder en haar middelengebruik om te bezien of zij dit kan, anders kan de Raad onvoldoende in staan voor de veiligheid van [de minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder de komende periode hulpverlening volgt voor haar verslavings- en persoonlijke problematiek. [de minderjarige] is om voornoemde redenen in eerste instantie vrijwillig uit huis geplaatst en hij verblijft sinds juni 2024 bij de tante moederszijde. Bij beschikking van 9 juli 2024 is [de minderjarige] met een spoedvoorziening voorlopig onder toezicht gesteld en is en een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, omdat de moeder niet langer instemde met plaatsing bij tante moederszijde. Een keer per week is er omgangsmoment tussen [de minderjarige] en de moeder. De bezoekmomenten worden begeleid door de ouders van de moeder. Het intensiveren van de bezoekmomenten is lastig vanwege de grote reisafstand. Daarbij komt dat op 16 augustus 2024 zich tijdens een omgangsmoment een gevaarlijke situatie heeft voorgedaan, waarbij de moeder gedurende het geven van de fles aan [de minderjarige] in een diepe slaap is gevallen terwijl oma moederszijde op dat moment de was in de wasmachine aan het doen was. Naar aanleiding van dit voorval heeft de omgang enige tijd stilgelegen. Thans wordt gekeken naar de mogelijkheden tot plaatsing in een moeder-kindhuis (via De Brijder). Om in aanmerking te komen voor plaatsing in het moeder-kindhuis is het noodzakelijk dat de moeder zich houdt aan de voorwaarden (van o.a. De Brijder). Het is wenselijk dat er een jeugdbeschermer komt om zicht te houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de situatie van de moeder. Omdat een eventuele plaatsing in het moeder-kind huis enige tijd met zich kan brengen is voortzetting van de uithuisplaatsing bij tante moederszijde aangewezen.
4.De standpunten
4.1.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling geeft aan dat de moeder moeite heeft met het volgen van behandelingen. Het lukt de moeder niet altijd om afspraken na te komen. De moeder heeft recent een eerste gesprek gehad met het moeder-kindhuis (via De Brijder) om te onderzoeken of zij en [de minderjarige] geplaatst kunnen worden.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met de verzoeken. De moeder stelt dat zij bepaalde dingen moet regelen voordat zij samen met [de minderjarige] in het moeder-kindhuis terecht kan. De moeder ziet in dat zij behandelingen dient te volgen voor haar problematiek. Daarnaast geeft de moeder aan dat ze graag meer omgangsmomenten met [de minderjarige] wil. Daarbij kan de uithuisplaatsing bij tante moederszijde ook op vrijwillige basis plaatsvinden.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] . Door de persoonlijke problematiek van de moeder, zoals door de Raad ook benoemd, lukt het haar onvoldoende om de zorg- en opvoedtaken van [de minderjarige] op zich te nemen. Dit is zorgelijk gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] en zijn volledige afhankelijkheid van een opvoeder. De moeder geeft aan voor [de minderjarige] te willen zorgen, maar kan onvoldoende profiteren van de aangeboden hulpverlening. De moeder heeft daarbij meerdere keren de hulpverlening vanuit De Brijder vroegtijdig stopgezet. Daarnaast is voorspelbaarheid, veiligheid en stabiliteit noodzakelijk voor de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . Op dit moment kan de moeder [de minderjarige] dit niet bieden waardoor thuisplaatsing nog niet in zijn belang is. De kinderrechter acht het positief dat de moeder een eerste gesprek heeft gehad bij het moeder-kindhuis en heeft verklaard zich hiervoor te willen inzetten en te willen werken aan haar problematiek. Voordat plaatsing in het moeder-kindhuis mogelijk is, is wel van belang dat de moeder zich aan de voorwaarden houdt. Daarnaast benadrukt de kinderrechter dat het belangrijk is dat de moeder de komende periode aan de slag gaat met de benodigde hulpverlening voor haar problematiek. Het is wenselijk dat een jeugdbeschermer zicht houdt op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de situatie van de moeder. Gelet op de problematiek acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de verzochte duur noodzakelijk. Daargelaten dat sprake is van een ondertoezichtstelling ziet de kinderrechter ook in het feit dat de moeder zeer recent nog ambivalentie toonde over de uithuisplaatsing (hetgeen tot een spoedmachtiging heeft geleid), geen mogelijkheden voor een vrijwillige uithuisplaatsing. Omdat een eventuele plaatsing in het moeder-kind huis enige tijd met zich kan brengen is voortzetting van de uithuisplaatsing bij tante moederszijde voor de verzochte duur aangewezen.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlenen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van zes maanden.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden van 3 oktober 2024 tot 3 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 oktober 2024 tot 3 april 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024 door mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 14 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.