Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:17423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
25 oktober 2024
Zaaknummer
C/09/672640 / JE RK 24-1676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige voor een jaar

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 10 oktober 2024 een beschikking gegeven over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2008 in Polen. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin bij haar tante aan vaderszijde, nadat zij en haar moeder uit hun woning zijn gezet. De moeder is dakloos en heeft beperkte zorgcapaciteit vanwege persoonlijke problematiek. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar.

De kinderrechter overweegt dat de minderjarige veel traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt, waaronder het overlijden van haar vader en broer, en meerdere verblijven in Polen zonder moeder. De moeder kan geen veilige en gestructureerde opvoedsituatie bieden, wat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigt. Het verblijf bij de tante biedt stabiliteit en verbetering in schoolprestaties. De vrijwillige hulpverlening is onvoldoende gebleken, waardoor een gedwongen maatregel noodzakelijk is.

De beschikking stelt de minderjarige onder toezicht van de William Schrikker Stichting en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor de periode van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door betrokken partijen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/672640 / JE RK 24-1676
Datum uitspraak: 10 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] te Polen,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. Hoste , gevestigd te Den Haag
Stichting William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 september 2024;
  • het nagezonden Community Report van de Arrondissmentsrechtbank [geboorteplaats] van 14 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De gezaghebbende vader en moeder waren met elkaar gehuwd. [de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de gezaghebbende vader en de moeder geboren. De gezaghebbende vader is overleden.
2.2.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is de moeder belast met het ouderlijk gezag.
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin bij haar tante aan de zijde van haar biologische vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2024 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 oktober 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt, waaronder het overlijden van haar gezaghebbende vader, het overlijden van haar broer en het meermaals in Polen verblijven zonder haar moeder. De moeder en [de minderjarige] zijn op 16 juli 2024 uit hun woning gezet, waarna [de minderjarige] een tijd bij oma moederszijde in Polen heeft verbleven. Sinds zij terug is in Nederland verblijft zij bij tante aan de zijde van de biologische vader. De moeder is dakloos en heeft slechts beperkt contact met [de minderjarige] . De moeder heeft mogelijk een relatie met (huis)vriend [naam 3] en hij heeft zorgelijke uitspraken richting [de minderjarige] gedaan. Om deze reden wil [de minderjarige] [naam 3] niet zien. De moeder lijkt door persoonlijke problematiek onvoldoende het belang van [de minderjarige] te kunnen behartigen en emotioneel beschikbaar voor haar te zijn. Verder ziet de Raad aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van hechtingsproblematiek bij [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft de eerste vier maanden van haar leven bij oma moederszijde gewoond in Polen. Daarnaast heeft zij moeite met het reguleren vaan haar boosheid en het accepteren van grenzen. Ook heeft [de minderjarige] mogelijk vervelende situaties meegemaakt en heeft zij hulp nodig bij het verwerken hiervan. Volgens de Raad is het niet mogelijk om de zorgen in een vrijwillig kader weg te nemen, omdat de moeder onvoldoende bereid en/of in staat is om hulpverlening te accepteren. Het is van belang dat [de minderjarige] een rustige en veilige opvoedsituatie heeft bij de tante, waarbij zij structuur krijgt aangeboden. Gelet daarop is een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing voor de duur van een jaar noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De moeder verzet zich niet tegen het verzochte. De moeder is het eens met een tijdelijk verblijf bij de tante totdat zij een woning heeft gevonden. De advocaat heeft aangevoerd dat de moeder een woning gaat regelen, dat zij [naam 3] uit de buurt van [de minderjarige] zal houden en dat de moeder de komende periode met (psychische) hulpverlening aan de slag wil gaan. De moeder heeft aangevuld dat zij geen psychische, maar wel fysieke problemen heeft.
4.2.
De gecertificeerde instelling is het eens met het verzoek van de Raad. Desgevraagd vertelt de gecertificeerde instelling dat het goed gaat met [de minderjarige] op school en dat zij daar een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Dit valt mogelijk toe te schrijven aan de stabiliteit die [de minderjarige] nu ervaart bij tante. In ieder geval voor het komende jaar wordt dit als een goede plek gezien voor [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling zal [de minderjarige] bij de William Schrikker Stichting laten verzekeren, indien de machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegewezen. Mogelijk wordt er ook nog psychische hulp geregeld voor [de minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt. Zij en de moeder zijn recent uit huis gezet en vervolgens is [de minderjarige] alleen naar Polen gegaan waar ze bij haar oma verbleef. Het was onduidelijk wanneer zij weer terug zou komen. Gebleken is dat de moeder op dit moment niet in staat is om een veilige opvoedsituatie met structuur te bieden, waardoor [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit [de minderjarige] ’s gedrag volgt echter dat zij een veilige opvoedsituatie met structuur hard nodig heeft. Sinds zij bij tante verblijft is haar schoolgang erg verbeterd en heeft zij een groei doorgemaakt. Hoewel [de minderjarige] de regels bij tante wellicht niet altijd fijn vindt, bieden deze haar wel structuur en duidelijkheid. In het belang van de ontwikkeling van [de minderjarige] dient het verblijf bij de tante de komende periode te worden voortgezet. De komende periode is het van belang dat de moeder aan zichzelf werkt, hulpverlening accepteert en een woning vindt zodat [de minderjarige] mogelijk op termijn weer bij haar moeder kan gaan wonen. Hierbij is van belang dat de moeder zorgt voor een veilige woonsituatie, waarbij het belang van [de minderjarige] voorop wordt gesteld en waarbij de moeder emotioneel beschikbaar voor haar is. Voor [de minderjarige] is het van belang dat de mogelijke hechtingsproblematiek wordt onderzocht en zij eventuele hulpverlening krijgt voor het verwerken van haar trauma’s. Gelet op de complexe problematiek is het vrijwillige kader onvoldoende toereikend gebleken. Een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing voor de periode van een jaar worden door de kinderrechter passend geacht.
5.3.
De kinderrechter zal daarom [de minderjarige] onder toezicht stellen en een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van een jaar.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.