Eiseres diende op 25 januari 2022 een asielaanvraag in die werd afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid van haar nationaliteit en identiteit. Na een eerdere afwijzing en een inreisverbod, diende zij een opvolgende aanvraag in, die de minister niet-ontvankelijk verklaarde op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen nieuwe relevante feiten waren aangevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag zorgvuldig heeft beoordeeld, mede aan de hand van het arrest van het Hof van 10 juni 2021 en een uitspraak van de Afdeling van 15 september 2022. De door eiseres overgelegde documenten, waaronder kiezerspassen uit 2017 en 2024, een geboorteakte en rechtbankverklaringen, konden de eerdere bevindingen uit het EU-VIS systeem niet weerleggen. De kiezerspassen waren kopieën en konden niet op echtheid worden onderzocht, terwijl de minister aannemelijk maakte dat deze documenten onvoldoende bewijs leverden voor de gestelde nationaliteit.
Eiseres heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit onjuist zou zijn en heeft niet gereageerd op het onderzoek van Bureau Documenten. Ook de nieuwe documenten die zij in beroep overlegde, konden niet aantonen dat zij daadwerkelijk de gestelde identiteit en nationaliteit heeft. De rechtbank bevestigt dat de minister terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard en de aanvraag van haar minderjarige dochter ongegrond, met de verplichting tot vertrek uit Nederland.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.I. van Meel op 25 september 2024.