Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
, welke[HI]
aanvaardt, een “Call-Optie" (de Optie) jegens de Leninggevers op 20% van de vordering die zij op enig moment houden voortvloeiend uit deze Overeenkomst.
, waarna[HI]
een bedrag van EUR 110.000 (het Optiebedrag) is verschuldigd aan de Leninggevers, te verdelen over de individuele Leninggevers naar rato van het bedrag van hun Individuele Geldlening(…)
.
gerechtigd tot 20% van de opbrengsten die Leninggevers uit hoofde van deze overeenkomst toekomen.”
“Op de lening rust een optie van de fonds managers op niveau oorspronkelijke inleg. Deze optie was voor de helft in 2014 al uitgeoefend. De betaling voor de tweede helft is ontvangen door het Fonds en wordt verrekend met de opbrengsten voor de leningverstrekkers.”
upside) waardoor eiser geen volledig economisch belang bij de aandelen heeft. Daarnaast stelt eiser dat binnen een dergelijke economische toerekening van eigendom, de louter formeel juridische handeling van het uitoefenen van het optierecht dient te worden genegeerd. Eiser heeft door het optierecht namelijk nooit zicht gehad op de meerwaarde van de investering waarop het optierecht rust. Eiser verzoekt tevens om een integrale vergoeding van de proceskosten, omdat verweerder volgens hem tegen beter weten in procedeert.