ECLI:NL:RBDHA:2024:16831
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid minister
Eiser is op 29 april 2024 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel bevestigd tot 13 mei 2024. De minister heeft de voortzetting van de bewaring gemeld en een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd met een beroep.
Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij het verkrijgen van een laissez passer van de autoriteiten van Algerije en Libië. De rechtbank constateert dat de minister meerdere malen heeft gerappelleerd bij beide autoriteiten en dat een presentatie bij de Libische autoriteiten op 12 juni 2024 gepland stond, waaraan eiser echter niet heeft meegewerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voortgangsgegevens.
De rechtbank benadrukt dat eiser de rechtsplicht heeft om Nederland te verlaten en actieve medewerking aan uitzetting moet verlenen, wat eiser weigert. Gezien de uitzettingshandelingen van de minister acht de rechtbank de voortzetting van de maatregel rechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.