ECLI:NL:RBDHA:2024:16831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.29258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid minister

Eiser is op 29 april 2024 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel bevestigd tot 13 mei 2024. De minister heeft de voortzetting van de bewaring gemeld en een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd met een beroep.

Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij het verkrijgen van een laissez passer van de autoriteiten van Algerije en Libië. De rechtbank constateert dat de minister meerdere malen heeft gerappelleerd bij beide autoriteiten en dat een presentatie bij de Libische autoriteiten op 12 juni 2024 gepland stond, waaraan eiser echter niet heeft meegewerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voortgangsgegevens.

De rechtbank benadrukt dat eiser de rechtsplicht heeft om Nederland te verlaten en actieve medewerking aan uitzetting moet verlenen, wat eiser weigert. Gezien de uitzettingshandelingen van de minister acht de rechtbank de voortzetting van de maatregel rechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.29258
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,de minister
(gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

De minister heeft op 29 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 mei 2024 (in de zaak NL24.19400) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 13 mei 2024 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 30 juli 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Op 22 mei 2024 is de aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) verzonden naar de vertegenwoordiging van Libië en op 10 mei 2024 is een aanvraag verzonden aan de autoriteiten van Algerije. De aanvraag is bij de autoriteiten van Libië gevolgd door een presentatie op 12 juni 2024. Bij de vertegenwoordiging van beide landen is tot drie keer toe slechts standaard gerappelleerd. Vreemd genoeg staat in de voortgangsrapportage bij de bijzonderheden dat per abuis is genoteerd dat eiser wordt gepresenteerd bij de autoriteiten van Algerije en dat dat Libië moet zijn. Deze opmerking lijkt eiser onjuist, daar het er op lijkt dat hij twee keer is
gepresenteerd. Gelet hierop is eiser van mening dat de rechtbank door de minister onjuist is geïnformeerd. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en zijn maatregel op te heffen.
Het voortvarendheidsvereiste en de in dit kader verstrekte informatie
2. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat zowel het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten als het onderzoek bij de Libische autoriteiten loopt. De minister heeft op 28 mei 2024, 18 juni 2024 en 10 juli 2024 gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten naar de stand van zaken met betrekking tot de afgifte van een lp. Daarnaast heeft de minister op eveneens op 28 mei 2024, 18 juni 2024 en 10 juli 2024 bij de Libische autoriteiten gerappelleerd. De minister heeft in zijn verweerschrift van 26 juli 2024 toegelicht dat enkel bij de Libische autoriteiten een presentatie stond gepland op 12 juni 2024. Eiser heeft geweigerd om mee te werken aan deze presentatie. Anders dan eiser stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de informatie in de voortgangsgegevens met betrekking tot voornoemde onderzoeken. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren bij voornoemde autoriteiten. Tot slot heeft de minister op 5 juni 2024, 3 juli 2024 en 25 juli 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. In het vertrekgesprek van 25 juli 2024 geeft eiser juist aan dat hij niet gaat meewerken en dat het uitgesloten is dat hij iets gaat doen. Gelet op de uitzettingshandelingen van de minister die hiervoor zijn genoemd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister eisers uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Ambtshalve toets

3. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 augustus 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.