ECLI:NL:RBDHA:2024:16790
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven met bijkomende afhankelijkheid
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als familielid bij haar vader (referent) in Nederland te verblijven. De aanvraag was door de Minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van familieleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals vereist onder artikel 8 van Pro het EVRM.
De rechtbank heeft tijdens de zitting op 12 september 2024 alle betrokkenen gehoord, waaronder de gemachtigden en de ouders van eiseres. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat eiseres en haar vader al lange tijd niet samenwonen, er geen financiële afhankelijkheid is aangetoond en dat eiseres sterke banden met Irak heeft. Eiseres stelde dat zij wel degelijk meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van haar ouders heeft, onder andere door haar scheiding, haar situatie in Irak en de medische omstandigheden van haar ouders.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. De verklaring van de ouders tijdens de hoorzitting ontkracht het argument van ontvoering, en er is onvoldoende bewijs van financiële en emotionele afhankelijkheid. Ook is niet gebleken van ernstige medische problematiek die afhankelijkheid rechtvaardigt. De hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende nagekomen doordat verweerder de ouders heeft gehoord.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiseres geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.