Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:16695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
15 oktober 2024
Zaaknummer
C/09/671143 / FA RK 24-5911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 WlzArt. 38 lid 10 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft een verzoek ingediend voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd) voor de duur van zes maanden. Cliënt, geboren in 1976, verblijft momenteel in een accommodatie en wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Tijdens de zitting op 5 september 2024 heeft cliënt bezwaar gemaakt tegen de machtiging en aangegeven bereid te zijn tot een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Cliënt lijdt aan een verslaving en posttraumatische stressstoornis (PTSS) en er is discussie over de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking. De medische verklaring van een psychiater werd betwist vanwege het gebrek aan specialisatie en onafhankelijkheid. De behandelcoördinator gaf aan dat eerdere behandelingen voor verslaving niet succesvol waren en dat de behandeling zich vooral op de PTSS zou moeten richten.

De rechtbank constateerde dat de diagnose van een verstandelijke beperking niet eenduidig is en dat de cliënt beter past onder de Wvggz. Het tijdelijke indicatiebesluit van het CIZ ondersteunt dit oordeel. Gezien het ontbreken van een blijvend ernstig nadeel en de bereidheid van cliënt tot vrijwillige behandeling, werd het verzoek tot machtiging afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang wordt afgewezen omdat cliënt beter past onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/671143 / FA RK 24-5911
Datum beschikking: 5 september 2024

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] , Portugal,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accomodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. K. Lammers-Roselaar te Rotterdam.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, na verwijzing door de rechtbank Rotterdam die dag vanwege de overplaatsing van betrokkene naar de accommodatie [accomodatie] te [plaats] ingekomen ter griffie op 16 augustus 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 1 juli 2024;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 12 augustus 2024;
- een op 27 augustus 2024 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, R. Baas, die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 5 juli 2024.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 september 2024. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de arts, E. Vinke
- de behandelcoördinator, mevrouw [naam 1] ;
- de begeleider, [naam 2] .

Standpunten ter zitting

Door en namens cliënt is ter zitting naar voren gebracht dat cliënt het niet eens is met de aanvraag van een rechterlijke machtiging. Wel is zij bereid in te stemmen met een zorgmachtiging. Cliënt valt vanwege haar stoornissen, zijnde een verslaving en PTSS, onder de Wvggz en heeft in het verleden dan ook verschillende zorgmachtigingen in het kader van die wet gehad. Er wordt nu in het voorliggende verzoek gesteld dat er bij haar sprake is van een verstandelijke beperking, maar er is hooguit sprake van een licht verstandelijke beperking en niet van een handicap. Daarnaast is de licht verstandelijke beperking niet de bovenliggende problematiek. Gelet op het voorgaande wordt een beroep gedaan op artikel 38 lid 10 Wzd Pro, waarbij de rechtbank de zaak kan terugverwijzen op het moment dat een persoon beter past onder de Wvggz. Daarnaast wordt de medische verklaring, opgesteld door psychiater R. Baas, betwist. Het gaat allereerst om een psychiater en niet iemand die is gespecialiseerd in verstandelijke beperkingen. Ook is de psychiater werkzaam bij [accomodatie] , wat maakt dat er geen sprake is van een onafhankelijke beoordeling. Verder is er geen sprake van ernstig nadeel. Het ernstig nadeel dat in de medische verklaring wordt omgeschreven is gebaseerd op oude informatie, terwijl hiervan momenteel geen sprake meer is. Daarbij is van groot belang dat cliënt bereid is om de behandeling bij [accomodatie] af te maken. De voortzetting van de behandeling kan dan ook binnen een vrijwillig kader.
De behandelcoördinator heeft ter zitting verklaard en bevestigd dat cliënt al meermaals is behandeld voor haar verslaving aan cocaïne binnen het kader van de Wvggz. Deze behandelingen zijn echter steeds niet geslaagd. De behandelcoördinator heeft hierbij aangegeven dat cliënt het gebruik van middelen als coping mechanisme gebruikt voor haar posttraumatische stressstoornis. De behandeling zou volgens haar dan ook moeten zien op de posttraumatische stressstoornis en niet op de verslaving aan cocaïne. Cliënt is uiteindelijk aangemeld bij [accomodatie] , omdat er een licht verstandelijke beperking is vastgesteld en ingeschat wordt dat de behandeling binnen het kader van de Wzd beter bij haar functionerings- en leerniveau aansluit. Een verstandelijke beperking moet in het algemeen voor het achtste levensjaar worden vastgesteld. In het geval van cliënt is er onvoldoende informatie over de periode voor haar achtste levensjaar, waardoor de diagnose licht verstandelijke beperking (LVB) niet zondermeer kan worden bevestigd. Cliënt verzet zich momenteel niet tegen de opname, maar er is nog geen behandeling ingezet. In het verleden is gebleken dat cliënt zich aan de behandeling van met name haar PTSS onttrekt op de momenten dat het bij het daadwerkelijk gaan werken aan en ‘aanraken van’ de bron daarvan moeilijk voor haar wordt. Ook is naar voren gekomen dat de bejegening en behandelmethode in het kader van de Wvggz bij cliënt niet effectief is. In de afgelopen jaren is er geen blijvende vooruitgang geboekt en is er steeds opnieuw sprake van ernstig nadeel. Dit is dan ook de reden dat gekozen is voor een behandeling bij [accomodatie] . En juist omdat cliënt in het verleden heeft laten zien zich steeds te onttrekken aan haar behandeling als deze haar te zwaar valt is een rechterlijke machtiging noodzakelijk.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan psychische stoornissen, te weten een posttraumatische stressstoornis en een verslaving aan cocaïne, gespaard gaand met een verstandelijke beperking. Ter zitting is naar voren gekomen dat de psychische stoornissen op de voorgrond staan. Daarnaast heeft de rechtbank moeten vaststellen dat de diagnose voor de al dan niet aanwezigheid van een verstandelijke handicap niet door alle betrokken ter zake kundigen wordt onderschreven. De aanwezigheid van het CIZ-indicatiebesluit Wlz van 1 juli 2024 maakt dit oordeel niet anders, nu het een tijdelijk besluit betreft. Na het aflopen van deze indicatie, blijkt uit het verzoek, wordt het oorspronkelijke indicatiebesluit, te weten 'Wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering' (GGZ03 Wonen) weer voor onbepaalde tijd geldig. Gelet hierop is op dit moment naar het oordeel van de rechtbank de Wzd niet van toepassing. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.L. Sandberg-Crommelin, rechter, bijgestaan door
mr. A.A. Does als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 september 2024.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 september 2024.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.