ECLI:NL:RBDHA:2024:16646
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn Ziektewet-uitkering te beëindigen per 16 maart 2024, omdat hij meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kan verdienen.
De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker stelde dat zijn financiële situatie dringend was en dat het aanvragen van bijstand ongewenst was vanwege psychosociale en geestelijke belasting.
Echter, verzoeker heeft zijn stellingen niet met stukken onderbouwd, ondanks een expliciete verzoek daartoe. Bij het verzoek waren enkel declaraties van de zorgverzekering en een rekening van sportmassages gevoegd, die geen spoedeisend belang aantonen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie bestond die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder zitting, conform artikel 8:83 Awb Pro.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.