ECLI:NL:RBDHA:2024:16593

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 oktober 2024
Publicatiedatum
14 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.37138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser is op 15 september 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding is aangemerkt. De zaak is schriftelijk behandeld waarbij eiser zijn gronden op 24 september 2024 indiende en verweerder op 2 oktober 2024 reageerde.

De rechtbank heeft beoordeeld of de vrijheidsontnemende maatregel terecht is opgelegd en of er bijzondere individuele omstandigheden zijn die bewaring onevenredig bezwarend maken. Uit het proces-verbaal en het aanmeldgehoor blijkt dat eiser geen bezwaar had tegen de maatregel en geen bijzondere medische omstandigheden heeft aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen.

De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onrechtmatig is opgelegd en dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 24 september 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 2 oktober 2024 gereageerd. De rechtbank heeft op 4 oktober 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld en dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel blijkt dat eiser geen problemen heeft met de oplegging van de maatregel. Ook heeft eiser toen geen bijzondere medische omstandigheden aangevoerd. [1] Verder geeft eiser in het aanmeldgehoor aan dat hij ziekjes is en daarvoor een arts heeft bezocht. [2] Niet is gesteld of gebleken dat eiser niet voor zijn medische klachten bij de medische dienst in het detentiecentrum terecht kan. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om over te gaan tot het opleggen van een lichter middel.
Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel, bladzijde 2.
2.Aanmeldgehoor, 18 september 2024, bladzijde 3.