6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een beveiliger op de kermis. Hij heeft het slachtoffer in een wurggreep gehouden, waardoor deze enige tijd geen adem kon halen, duizelig werd en het zwart voor zijn ogen werd. De verdachte heeft eerst losgelaten nadat de beveiligers een aantal malen hebben geprobeerd de verwurging te stoppen. De verdachte heeft door zijn manier van handelen geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van de beveiliger, die gewoon zijn werk deed. Dergelijk gewelddadig gedrag is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, vooral als het wordt gepleegd op een openbare plaats als de kermis, waar veel bezoekers waaronder kinderen getuige van zijn geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.
Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden om, terwijl hij in een proeftijd liep, opnieuw een geweldsdelict te plegen. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Gedragskundige rapporten
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 2 augustus 2024, opgesteld door drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog. De verdachte had tijdens het onderzoek een weinig coöperatieve opstelling en heeft medewerking aan het onderzoek grotendeels geweigerd. Het onderzoek is onvolledig en hierdoor wordt de diagnostiek uitgesteld, is geen zicht gekregen op een eventuele doorwerking in het tenlastegelegde en is een inschatting van het recidiverisico niet mogelijk. Een advies met betrekking tot de mate van toerekenen is niet te geven.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 4 september 2024. Volgens de reclassering zijn het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte risicofactoren die mogelijk aan het onderhavige feit hebben bijgedragen. Er zijn aanwijzingen voor agressie/emotieregulatie problematiek.
De reclassering ziet een kentering bij de motivatie van de verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. De verdachte lijkt in een neerwaartse spiraal te zijn gekomen en heeft een terneergeslagen houding. Hierdoor is er weinig van de grond gekomen binnen het schorsingstoezicht. De verdachte heeft nog steeds geen dagbesteding en inkomsten, heeft schulden, een cannabisverslaving en begeeft zich in een negatief sociaal netwerk.
De reclassering ziet diverse risicofactoren die interventies behoeven om tot enige
risicovermindering te kunnen komen. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De interventies die de reclassering nodig vindt ter vermindering van recidive lijken tot op heden echter onvoldoende soelaas te bieden nu de verdachte opnieuw is gerecidiveerd, binnen zijn proeftijd. De reclassering denkt dat enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet zal bijdragen aan recidivevermindering of gedragsverandering, omdat de verdachte dan alles opnieuw dient op te bouwen. De reclassering is, gelet op de problematiek en instabiele leefsituatie van de verdachte, van mening dat justitiële interventies binnen een voorwaardelijk strafkader zouden kunnen bijdragen aan recidivevermindering en gedragsverandering bij de verdachte, mits hij hiervoor gemotiveerd is.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
De rechtbank constateert dat de psycholoog geen uitspraak heeft kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, maar dat duidelijk is dat de verdachte kampt met multi complexe problematiek. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zal meewerken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Hij heeft verklaard dat hij daar de motivatie voor zal vinden en aan zichzelf moet gaan werken.
Op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Gezien het strafblad van de verdachte en de ernst van het feit kan niet slechts een taakstraf worden opgelegd.
De op te leggen straffen zijn lager dan door de officier van justitie geëist. Mede redengevend daarvoor is dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank acht naast een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het opleggen van een forse taakstraf eveneens passend en geboden. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank ziet geen aanleiding het door de officier van justitie gevorderde contactverbod op te leggen, omdat het slachtoffer willekeurig lijkt te zijn en geen bekende is van de verdachte.
Nu de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.