ECLI:NL:RBDHA:2024:16391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.36913
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArtikel 5.1b, derde lid, VbArtikel 5.1b, vierde lid, VbVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

Eiser, met de Braziliaanse nationaliteit, is door verweerder de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij onder de Dublinverordening valt en eerder asiel in Frankrijk heeft aangevraagd.

Verweerder stelde dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, onder meer omdat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser betwistte de feitelijke juistheid van deze gronden niet.

De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist zijn en dat de maatregel van bewaring proportioneel en noodzakelijk is, omdat geen lichter middel doeltreffend is gebleken. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36913

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Braziliaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat eiser onder de Dublinverordening [1] valt. Uit het dossier blijkt dat eiser eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd.
3. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d: niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a: zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Ten aanzien van zware grond 3d stelt eiser dat deze grond niet relevant is, nu hij wordt overgedragen aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van deze grond niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier ook dat de grond feitelijk juist is. Deze grond draagt daarom bij aan het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser wordt overgedragen op grond van de gegevens die in Eurodac zijn geregistreerd, doet hier verder niet aan af.
5. Eiser heeft de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarbij voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden kunnen de maatregel dragen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 oktober 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.