Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:1638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
NL24.996
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Artikel 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Noorwegen op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat hij in Noorwegen onvoldoende medische zorg had ontvangen en vreest dat hij bij terugkeer zonder opvang komt te zitten, wat tot een noodtoestand zou leiden. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die overdracht aan Noorwegen onredelijk maken. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel leidt tot de aanname dat Noorwegen adequate medische zorg biedt.

De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen en verklaarde het beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.996

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 10 januari 2024, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 12 september 2023 niet in behandeling heeft genomen, omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Noorwegen een verzoek om terugname gedaan. Noorwegen heeft dit verzoek aanvaard.
Had de staatssecretaris toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening?
5. Eiser betoogt dat hij zich in Noorwegen slecht voelde. Hij had constant hoofdpijn, bloedneuzen en last van ontstoken tandvlees, maar is daar niet goed behandeld en heeft geen adequate medische hulp gekregen. Daarnaast weet eiser niet of hij opnieuw opvang krijgt wanneer hij wordt teruggestuurd naar Noorwegen en zonder opvang komt eiser in een noodtoestand terecht. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat het beroep ingegeven is door angst van eiser dat hij niet in Noorwegen mag blijven en dat eiser voornamelijk een beroep doet op de hardheidsclausule. Zij heeft geen aanwijzingen voor mogelijke tekortkomingen in de asielprocedure in Noorwegen en geeft aan dat ten aanzien van Noorwegen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in de medische problemen van eiser, als deze er nog zijn, geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft hoeven aan te nemen die maken dat overdracht van eiser aan Noorwegen van een onevenredige hardheid getuigt. Op grond van het interstatelijke vertrouwensbeginsel mag er namelijk vanuit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Noorwegen vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is. Evenmin heeft eiser aangetoond dat een eventuele medische behandeling die hij (nog) nodig zou hebben, in Noorwegen niet voorhanden is, of dat Noorwegen weigert hem indien nodig te behandelen. Dat aan hem zou zijn gezegd dat de klachten niet ernstig genoeg waren voor verdere behandeling en dat ze vanzelf over zouden gaan, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de staatssecretaris in het besluit aangegeven dat de autoriteiten van Noorwegen in overeenstemming met artikel 32 van Pro de Dublinverordening worden geïnformeerd over eventuele medische omstandigheden van eiser, zodat ervan kan worden uitgegaan dat in zijn behoefte aan medische zorg wordt voorzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van M. Kok, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL24.997
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.