De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van een minderjarige en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De minderjarige groeit op in een onveilig opvoedklimaat met verbaal geweld en middelengebruik bij de moeder, die kampt met verslavingsproblematiek. De vader en moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag en de minderjarige verblijft momenteel doordeweeks bij de vader, met instemming van de moeder.
De Raad motiveerde het verzoek met de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige, die emotionele en sociale problemen kent, waaronder zindelijkheidsproblematiek en een bovengemiddelde opvoedbehoefte. De vrijwillige hulpverlening was onvoldoende effectief vanwege wisselende acceptatie door de ouders. De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan en stelde de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar.
De machtiging tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat de minderjarige reeds met instemming van de ouders bij de vader woont, die gezag heeft, en een machtiging als ingrijpend middel alleen als uiterste redmiddel wordt ingezet. De rechtbank benadrukte het belang van rust en duidelijkheid voor de minderjarige en het vertrouwen dat de plaatsing bij de vader zonder machtiging wordt voortgezet.